Mijn project, onderwijs en dat soort dingen

Dit land, waar de mensen zomaar tijdens werktijd liggen te slapen, waar afval meters hoog op straat ligt, waar niemand naar elkaar omkijkt en waar enige vorm van structuur lijkt te ontbreken, heeft een opvallend onderwijssysteem. De Beninese basisschool zou een goede opleiding zijn voor Chinese frontsoldaten maar voor kinderen van 10 vind ik het persoonlijk minder geschikt. Het ontbreekt aan enige vorm van consequent leiderschap en respect voor de leerling.
De Jufvrouw komt op mijn eerste dag onaangekondigd te laat en straft vervolgens andere leerlingen voor eenzelfde overtreding. Als we binnenkomt springen de kinderen in de houding en meldt de klas zich in koor af voor de les. De les begint en de juff dreunt een verhaal op over molrekenen, goniometrie of een ander véél te moeilijk onderwerp. Ze kan de 'les' evengoed in het Russisch geven, dat maakt voor de leerlingen geen verschil. Als na afloop de juf vragen opgeeft dan gaat dat altijd gepaard met de aanmoediging: 'snel!snel!snel!snel!'. De kinderen geven om de beurt allemaal het zelfde inhoudsloze paniekantwoord, als pavlolwreactie op haar ongeduldige slaan met het slaghout op de tafels: 'Mevrouw, het antwoord op de vraag die u me stelt, mevrouw, is....'' (stilte). 'IMBECIEL!' roept de juf dan steeds. Daarna moeten de 10-jarigen de aantekeningen op het bord overschrijven om er vervolgens nooit meer op terug te komen.

In de middag wordt het huiswerk nagekeken. Wederom tiert de juf als een dolle hond door de klas, schreeuwend en scheldend. Ik zit mezelf echt op te vreten terwijl ik het aanzie, maar weet dat ingrijpen niet de oplossing is. Ik weet goed zat dat het ergste nog moet komen; de kinderen zijn namelijk nog niet gestraft voor het foutief maken van het huiswerk.
De stok wordt tevoorschijn gehaald. De juf loopt op de eerste leerling af die ze haar handen laat uitsteken en de juf slaat hard op de bovenkant van haar ene hand, dan de andere hand. Huilend trekt het kind haar handen terug in haar zakken maar het is nog niet voorbij. Woest grijpt de juf de tegenstribbelende armen beet en probeert ze uit de zakken te trekken. Het bange meisje biedt net zolang weerstand totdat de juf met de stok op haar handen in de zakken begint te slaan. Uiteindelijk biedt ze dan toch haar handen aan en incasseert we krampachtig en krijsend de laatste twee stokslagen. Ik ben blij als het voorbij is, nu nog maar 14 anderen te gaan. De ene leerling wordt harder en vaker geslagen dan de andere en de disciplinaire maatregel kost veel tijd en energie, en zelfbeheersing van mijn kant.
Ik loop rood aan, vanwege datgene wat ik wie en omdat mijn gedachten op volle toeren draaien; wat te doen? Ik besluit wederom om niet in te grijpen, het schenden van de soevereigniteit van dezee autoritaire (overigens ongediplomeerde) ouwe feeks wou alleen maar meer narrigheid, oneerlijkheid en ellende veroorzaken en mijn Nederlandse werk- en denkwijze wou de kinderen alleen maar tot ongemak leiden; niet nu dan later in hun schoolcarriere wel. 

Ikzelf krijg ook de kans om les te geven. ik mag iets met de kinderen gaan ondernemen om de klas te decoreren. Ik voel me niet serieus genomen maar ik besluit de kans toch aan te nemen. Ik wil de kinderen posters laten maken over verre landen en/of werelddelen, om zo van de gelegenheid gebruik te maken om een lesje wereldorientatie te geven. De kinderen doen actief en geinteresseert mee, stellen veel vragen en zijn erg leergierig. 40min na de laatste bel stuur ik ze toch maar naar huis. volgende keer meer.
Ik concludeer dat de algemene kennis van de leerlingen bedroevend laag is. Landen, mensen, cultuu, geloof, eten en drinken, natuur en sport.. zelfs van hun eigen leefomgeving... de kinderen weten er, ondanks hun lessen goniometrie en molrekenen, nagenoeg niets vanaf. 

De volgende dag word ik om 10:00 verwacht om te assisteren bij een les wiskunde. Ik ben er om 9:45 en om 10:45 kunnen we met de les beginnen. Iets met diagrammen en rekenen met percentages, maar niet voordat ik de kinderen het hele begrip 'percentage' kan gaan uitleggen. Ik slaag er niet in. Deels onervarenheid denk ik. Ik krijg het deze keer niet voor elkaar om de kinderen aan het denken te krijgen. Op de vraag '100 : 4 = ?' krijg ik na lange berekeningen antwoorden als '10' en '40'. Uiteindelijk scheldt de leraar de kinderen uit voor 'imbeciel' en begint ze voor te doen hoe je door middel van percentages de absolute aantallen van afrikaanse emigranten per etnische groep kunt berekenen.
Eerst leren kruipen voor je leert lopen? welnee, in Benin leer je je eerste stappen op de 600 meter hordenloop.

Speaking of which... 'Ralf! vrijdagochtned aanwezig zijn in sporttenue!'.
Mooi, sport. Iets wat ik kan zonder dat die ouwe tang er een stempel op drukt.

... maar dan f*cking anders.

De les zou om 7uur beginnen. Ik en de kinderen staan om 6:45 klaar, de klas gepoetst en genoeg drinkwater uit de pomp gehaald voor de hele dag, als om 7:02 de juf aan komt. Ze laat de kinderen eerst nog de rest van het hele schoolplein schoffelen en andere huishoudelijke 'prioriteiten'  verrichten.

Om 7:30 worden de leerlingen door de ongeinteresseerde lerares dan toch nog nonchalant in de houding getrapt en afgemarcheerd naar het sportveldje achter het klaslokaal. Daar moeten de kinderen zingend, Noord-Koreaans figuurtjeslopen en -rennen terwijl de juf in haar gewone burgerkleding op twee houtblokjes slaat en ook hier 'snel!snel!snel!snel!' roept.
Ik sta er in mijn sporttenue bij voor Jan met de korte achternaam.
Na dit gebeuren krijgen de kinderen de opdracht om zelfstazndig een of andere turnuitvoering te oefenen en de juf gaat in de tussentijd buurten met een bekende. 'Stik maar' denken de leerlingen terecht en ze volgen het voorbeeld van de juf door wat te gaan spelen en praten.

Het hele lesgeven hier doet bij mij alle stoppen doorslaan en dezee obsessie voor discipline en militairisme heeft volgens mij een averechts effect. Er wordt onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en respect geeist, terwijl de autoriteiten geen respect geven noch verantwoording afleggen. Belangrijke waarden als consequent zijn, integriteit, structuur en bovenal respect worden hier totaal over het hoofd gezien.
Geen wonder dat elke leerling hier niet nadenkt, valspeelt, spiekt of uitknijpt waar mogelijk en men elkaar erbij naait als ze de kans krijgen. En na de school, studie of opleiding, als de zweep en het slaghout uit beeld verdwijnen zou ik het zo ook verekken (of iig geen reden zien) om te werken.

In de loop van de week heb ik een aantal gesprekjes gehad met de lerares. Een van die keren vroeg ze of haar veronderstelling dat ik de stokslagen niet kon waarderen juist was. Ik bevestigde dat en stelde voor dezee stokslagen te vervangen door strafcorvee zodat we in het vervolg geen tijd meer hoeven te verliezen aan het schoonmaken tijdens lestijd of het wachten totdat de pijn uit de handjes is weggetrokken alvorens weer te kunnen schrijven.
Het zal mij benieuwen of er iets mee gedaan wordt.

Op vrijdagmiddag heb ik dan toch uiteindelijk tegen de juf gezegd dat ik een ander project ga zoeken omdat ik me het volgende realiseer:
De beste kans voor de kinderen op een relatief redelijke toekomst in deze teringbende (Benin) is het uitzitten van deze poppenkast en lachend meedoen met de show.

Daarbij, wat is dit nou? Er moet een plekje in het rooster vrijgemaakt worden zodat ik een lesje kan geven? Alsof het voor mijn vermaak en tijdverdrijf is? Alsof het vrijwilligerswerk een nieuwe soort touristenatractie is, terwijl het land zelf één grote stronthoop is? Ik snap best dat mijn verrichtingen de honger-, armoede- of corruptieproblemen de wereld, of het land, niet uit gaan halpen, maar er moet toch iets beters te doen zijn voor mij?

Met deze vraag mag ik dezee week op de koffie komen bij de provinciechef. Hopelijk heeft hij meer overzicht dan ik, maar ik betwijfel het. Ook schijt ik er balen van dat SYTO (NGO waarvoor ik werk) niet eens een overzicht heeft van al haar projecten in het land/de regio.  Lekker typisch Afrikaans geregeld dus.

Ik ben erg benieuwd naar hoe dit zich verder gaat ontwikkelen. Uiteindelijk kan het me niet gek genoeg zijn sinds ik heb vernomen dat mijn nieuwe studie een 'gapyear-contest' uitschrijft, met gratis studieboeken voor de schrijver van het beste gapyear-essay. 

We zullen zien. Of ja.... Ik zal zien en jullie zullen lezen. Tot gauw!

Ps.  Deel gerust je gedachten, opvattingen, voorstellen, ideeen, opmerkingen of vragen! Ik kan alle hulp gebruiken!

Pps. In de tussentijd ga ik op zoek naar een traditioneel gekleurd bananengewaad om zo zelf ook een beetje in carnavaleske sferen te komen. De Schrobbelèr is nog niet per post aangekomen maar er is bier en ik heb nog wat liedjes van Guus Meeuwis op mijn iPod staan; dus aodoende, als zelfuitgeroepen Prins Yovo d'n Urste van Banaonevrèètersgat wens ik iedereen een fijne Carnaval! Vat d'r ene veur mèn! Alaaf!

Zagnanado

Allereerst: DIT INTERNET IS MEEEEEGA WAARDELOOS en mijn Facebookaccount is geblokkeerd... f%cking ideaal dus.

Het is 3 uur  's middags en ik zit met 8 anderen in een verroeste personenauto. we knallen op een megaslechte zandweg door de jungle totdat we midden in een of ander gehucht stoppen om bezine bij te tanken uit een aangeslagen colafles. Honderd handen dringen door de openstaande ramen om ons alles te verkopen wat voor handen is. Ik zou geintimideerd zijn geweest als ik er zin en energie voor had maar dat was niet zo. Mijn nieuwe (trouwens hele coole) mama is wél helemaal in haar element en heeft zich verwikkeld in een oorverdovende schreeuw- en wijssessie met als inzet een halve bananenboom (mét takken). Blijkbaar heeft ze 'gewonnen' want even later wordt het ding samen met een dertigtal tomaten deze achterbank opgestouwd. Dit was niet de meest confortabele autorit, ooit.
De rit gaat nog 3 uur verder en wer kopen nog een 12-pack meelballen en maken met veel vreemden ruzie; classic! 5Km voor einndbestemming Zagnanado stoppen we nog even op een marktje. Het is 19h 's avonds; de gekruisigde, opengereten dooie ratten die we gaan kopen liggen al de hele dag in de tropenzon overgeleverd aan de vliegen en andere smerigheden. Uitstekend! Dit wordt veruit het meest smerige, onverantwoorde, maar tevens coolste wat ik ooit gegeten heb. 

Iets later rijden we rustig Zagnanado in. Een heel charmant, autentiek dorp/stadje midden in de bushbush. Het is er rustig maar niet té en de lucht is er dik en zwoel. Mijn nieuwe thuis is ook een welverdiende wereld van verschil voorbij het bekrompen, luidruchtige appartementje in Cotonou. Het bestaat uit een ommuurd erfje met in het midden een grote mangoboom. Eromheen zijn een aantal huisjes gebouwd; het huis, met veranda met bankstel (waarop ik nu enorm chill lig te schrijven), een toilethuisje, een schuurtje, een hondenhok en drie aangebouwde subwoninkjes. Het 'huisje' zit vol met kakkerlakken en totdat mama dat heeft gefikst speel ik voor constipatiekoning, maar het goede nieuws is dat ik één van de aanleunhuisjes helemaal voor mezelf heb - incl. badkamer (hokje, emmertje, sponsje).
De kleine woonkamer is doordrenkt met mariaverheerlijkingen en zoals de deurmat aangeeft: 'het bloed van Jezus stroomt door dit huis'. Niet in mijn kamer, die is heidens grijs op een blauwe rozenkrans na. Die laat ik hangen omdat 'ie a) lastige vragen voorkomt of beantwoord en b) mooi kleurt bij het delfsblauwe Etos-douchegoordijn dat ik er ter decoratie aan de muur heb gehangen.


In het huis wonen mama Angèle, de 21-jarige Odi, de 17-jarige Giorgio en een zwakbegaafde geadopteerde 8-jarige die hier al het huishoudelijk werk verricht. Ik noem haar Truus want haar eigenlijke naam bevat 8 lettergrepen.
Mijn nieuwe mama is heel cool. Dat had ik al eens gezegd maar ik doe het nog een keer. Ze is de directrice van één van de scholen waar ik werk en binnen een dag hebben we korte metten gemaakt met mijn misplaatsing op de zoetsappige 'école maternelle' (kleuterschool) waar behalve foto's van mooie oogjes voor iemand als mij niets te halen valt. Ook kan ze goed koken en ontbijten we met een roereitje en een kopje aanmaakkoffie!

Inmiddels heb ik ook al een beetje de omgeving kunnen verkennen. Het is echt enorm mooi hier, met veel bebossing en wat heuvellandschap. Overal in de omgeving zijn kleine bronnen te vinden waar je kunt drinken, wassen en baden. Helaas hiervan geen fotos omdat de tientallen naakte vrouwen (klinkt vééél beter dan werkelijk het is, maar wilde het even gezegd hebben om cool te doen) protesteren. Ook ben ik vanochtend gaan hardlopen. Wegens hitte had ik me ontdaan van mijn t-shirt en deze rennende yovo trok evenveel aandacht als een gitaarspelend paard gedaan zou hebben. Daarbij had ik me vergist in de afstand en was ik na 2 uur nog niet terug. Maar hey, wel een mooie omgeving.  

Over mijn project en werk volgt nog een post, die komt heel erg snel, maar eerst ga ik proberen alle verbindingsproblemen op te lossen en heb ik zo nog een les te geven. 

Tot snel!

De Cotonourianen en het Venetie van Afrika

[Dit is Rick, die namens Ralf een blogpost upload omdat het Beninese internet maar weer eens zijn waarde bewijst door het niet te doen]

Het is inmiddels meer dan een maand geleden dat ik uit Nederland vertrokken ben. Het is ook de laatste week van mijn verblijf in Cotonou.
Vooralsnog denk ik dat ik de drukte en vervuiling niet ga missen maar ik mag niet te vroeg juichen. zeker niet als ik me bedenk dat Cotonou eigenlijk ook zijn leukigheidjes heeft die het leven hier helemaal niet onaangenaam maken. Misschien dat ik de familie op de hoek van het stadion ga missen, die dagelijks luidkeels juichen en zingen als ik een hapje bij ze kom eten. Wat ik in ieder geval zeker ga missen is de 'yovo-dichtheid' van Cotonou. Vrijwilligers, Europese jongeren, zijn klein in aantal maar gelukkig niet erg moeilijk om te vinden. Meer hierover later; eerst wil ik even duidelijk maken dat ik de gemiddelde Cotonouriaan niet ga missen.
De stadsbevolking heeft wat trekjes overgenomen van de hoofdstedelingen van hun voormalige bezetters. Gooi er een gezonde dosis afro-cultuur bij en ziedaar: spectakel.
Voor Cotonourianen houdt de wereld op te bestaan buiten de stadsgrenzen. Men leeft op een geisoleerd eiland in de rimboe en de meesten zijn niets anders gewend dan de altijd grijze en vervuilde hemel, de eindeloze squatters en de schreeuwende viswijven. Velen hebben net zoveel savanne en tam-tams gezien als mijn grootouders - maar ook dit is Afrika.
Cotonouriaanse Jongeren zijn ervan overtuigd dat hun leven zo cool is als het ooit gaat worden en hebben boven alles ergens het idee vandaan gehaald dat ze macht hebben (macht is een BIG ISSUE hier).
Beide bovenstaande beweringen moet je als rasechte hoofdstedeling altijd zo expliciet mogelijk uiten. Zo moet je facebooknaam minstens de woorden Soldjah (m) of PrinZess (v) bevatten en moet je ten alle tijden zoveel mogelijk sieraden dragen. Ook kleding moet glimmen, kleur of andere modeaspecten zijn ondergeschikt aan zilver, goud en glitter. Had ik al gezegd dat iedereen hier Armani, Hugo Boss of Calvin Klein draagt?
Ook de grote jaren-'60 dameszonnebrillen zijn immens populair bij jongens van mijn leeftijd en horloges zijn per definitie goud. Als je voor je werk een pak moet dragen dan mag dat gerust geel of rood zijn, synthetisch ondanks de hitte en de schoenen of de stropdas het liefste wit. Op je facebook en Badoo moet minstens 1x vermeld staan dat je 'style' of 'class' hebt en je profielfoto moet gelijkenis vertonen met de cover van een goedkope porno-dvd. Je kunt je status ook laten blijken door te zingen over hoe je de 'Boss' bent over je 'Bitches' zoals de lokale artiesten hier allemaal doen, maar het summum van power is het laten knippen, veilen en boenen van je teennagels door een arme sloeber die op zijn knieen zit, terwijl je op het terras bier drinkt en luide grappen maakt.
Openbaar schelden, spotten, lachen en wijzen naar mensen die het slechter hebben dan jij is over het algemeen ook een goede en geaccepteerde manier om je superioriteit te projecteren op je omgeving.
Hoewel het erg vermakelijk is, hoop ik dat dit zich tot de hoofdstad beperkt en dat het in Zagnanado anders zal zijn.

Maar Zover is het nog niet. Eerst moet ik mijn cursus Frans afronden. In maart heb ik (als het goed is) een examen en dat levert me een internationaal erkende diploma op. Gunstig! Ik heb er wel vertrouwen in; ik spreek al aardig frans. Met 5 dagen in de week les zou je niets anders verwachten, maar 2 uur per dag - tja.. beninees werkritme - is helemaal niet zoveel. Bovendien scheelt het erg per leraar en dag hoe productief het is. Een beknopte schets:

Maandag: les van Rufen. Hij is goed. Enthousiast en eager om ons iets bij te brengen. Hij laat ons vaak iets presenteren over ons eigen land, vertelt dan over de situatie zoals die hier is en probeert dan graag een discussie uit te lokken. Leuk!

Dinsdag: Les van Eudes. Hij is vaak te laat en laat ons vervolgens een schrale luisteropdrachtdoen terwijl 'ie zelf aan de telfoon hangt.

Woensdag en donderdag: Monsieur Paraiso. Hij is erg goed! hij gaat actief aan de slag met grammatica en brengt ons niveau echt zichtbaar omhoog.

Vrijdag: Rafael. Ook een frequent laatkomer. literatuur en tekstverklaren, niet echt denderend maar het draagt wel bij aan het vocabulair.

Het feit dat men hier geen Engels spreekt draagt ook bij aan de ontwikkeling natuurlijk. Het beninese accent op straat maakt het wel moeilijk toepassen, maar als gevolg klinkt het Europese Frans op zijn beurt weer loepzuiver en verstaanbaar. wie had dat ooit gedacht?
Dit bleek in ieder geval zondat toen we een zelf-georganiseerd yovouitje hadden naar Ganvié. Over Ganvié het volgende:

Er was eens, rond het jaar 1700, een volk met een koning. De rest van de regio wilden de vrouwen hebben, kinderen doden en de mannen verkopen als slaven. Zodoende sloeg het volk op de vlucht. Indertijd was het voor de Afrikanen wegens religieuze redenen verboden het water op te gaan, maar nood breekt wetten en de koning leidde zijn volk daar waar zijn vijanden hem niet volgen konden. Midden op het meer besloot de koning daar te blijven en er werd een stad op palen gebouwd.
Ongeveer 300 jaar later stappen 6 yovos van hun zemi-djahns af aan de waterkant bij een opstapplaats voor een boottocht naar ditzelfde stadje. Het zijn Ralf Ketelaars uit Nederland, Deborah en Irina uit Zwitserland, Max en Annabelle uit Duitsland en Noemie uit Frankrijk. Omdat ik geen Zwitserduits spreek en Max en Annabel allebei snel in het Bayerns ratelde kon ik mooi mijn Frans oefenen met Noemie. Ze heeft humor en ik heb inmiddels een adresje in Frankrijk (én 2 uitnodigingen voor het oktoberfest!)
In een grote soort kano/sloep met dieselmotor varen we over het meer dat best een beetje lijkt op de Friese vaarwateren. De overeenkomsten verdwijnen echter als we het stadje, dat ook wel het venetie van afrika genoemd wordt, naderen. Hutjes op palen, winkels op palen, telecomprovider op palen, ziekenhuisje op palen en af en toe een drijvend gazonnetje of erfje voor de kippen. Houten bootjes zijn talrijker dan fietsen op Amsterdam CS. De mensen hier leven echt op het water en met al het veroeste golfplaat om ons heen moet ik ergens denken aan de filmset van 'Waterworld'. De schaarse kleine eilandjes worden benut door een moskee, een kerk en een voetbalstadion en de mensen dragen er grote rieten hoeden ter bescherming tegen de zon.
15 minuten verderop gaan we aan wal op een eilandje met vissershutjes erop. Het hele dorp loopt uit om ons te bekijken en te betasten. Enkel de kippen en varkens blijven onverstoord doen waar ze mee bezig waren.

Bij een ondergaande zon varen we terug over het dit sprookjesachtige meer en eenmaal aan land besluiten we dat het te donker is om onze wegen te scheiden. Iedereen blijft vannacht in Cotonou en vertrket morgen naar waar hij of zij vandaan kwam. We maken van de gelegenheid gebruik door nog even een terrasje te pakken in de hoofdstad. Daar lopen we de Duitse Larissa en Theresa (bij wie max en ik maandag een geweldige spaghetti gaan koken - maar dat weten we dan nog niet) en de Belgische Laura tegen het lijf.
Die maandag beweert Larissa een echte ijssalon te kennen, dus daarom gaan we nu vandaag maar eens kijken wat daarvan waar is. Iets dergelijks zou namerlijk de ontdekking van de eeuw zijn in deze hitte! (38 graden, zonning... yes ik weet hoe koud het is in Nederland atm ;-p)

Groetjes!

ps. Na wat lachen, schreeuwen, wijzen en een klein bedrag op de juiste plek heb ik mijn terugvlucht toch een maand kunnen vervroegen (aankomst 18 mei, 9:45 AM te Brussel) zodat ik niets van de zomer hoef te missen in Nederland!

pps. weet iemand nog een leuke vrijstaande kamer in Leiden? - ik ben op zoek

Koken.

Vrijdagochtend om 10 uur lopen ik, Deborah en onze nieuwe duitse klasgenoot Max de grote markt van Cotonou op.
Om er te komen hoefden we slechts de volgeprote pick-ups te volgen die uitpuilden met ananassen, pluimvee, zakken rijst of een combinatie van het voorgaande.
Als je binnen een paar honderd meter van de markt bent kun je hem al horen en kom je nog dichterbij dan wordt het zicht je bijna geheel ontnomen door de krioelende massa van mensen, geiten, djahns en af en toe een vastgelopen bestelbus. 

Terwijl ik een foto maak van een vrouw met een schaal levende kippen op haar hoofd vertel ik aan Max en Deborah wat ik moet hebben.
Een beetje twijfelend, zoals je ook een eerste keer een koud zwembad induikt, duiken we de wilde zwarte zee in en we belanden in een drukte, benauwdheid en hitte die een vrijdagavond-budgetbar bij Café de Brouwer bijna evenaren.

De daadwerkelijke markt bestaat uit een doolhof van honderden hele smalle, laag-overdekte gangetjes met aan weerszijde donkere inloopkraampjes. Op prominente 'kruispunten' staan grotere kramen met meestal exotische vruchten, kruiden en specerijen en schreeuwende bezwete vrouwen. Ik zoek koriander. Een vrouw wijst naar een groene berg ter grote van een gezinsauto en tipt dat het daar wel eens tussen zou kunnen liggen.
Nog voor ik op de tast de composthoop-to-be afzoek wordt ik alweer afgeleid door wat een angstgil blijkt te zijn van een geit die op-zijn-kop aan zijn pootjes is vastgebonden aan het stuur van een Djahn. De chauffeur trekt zich er weinig van aan en spurt door de drukke zandsteeg met de gillende geit bungelend boven zijn voorwiel en haar eigenares achterop. 

We vervolgen onze tocht door deze overkill aan geluid, kleuren en geuren (voornamelijk een penetrante bedorven vislucht). Op het zien van een hoop rauw kippenvlees op een tafeltje in de zon, naast een stapel stinkende verbruinde vismoot van onherkenbare soort, besluit ik dat ik mijn inkopen elders ga doen; ik wil niet dat de vernietigende bijwerkingen van het eten van hier gekocht voedsel met mijn kookkunsten geassocieerd worden. (Het confronterende stemmetje in mijn achterhoofd herinnert me er echter aan dat dit waarschijnlijk de plaats is waar Mama Odette haar culinaire rariteiten inslaat - dat zou de diarree verklaren)

We eindigen onze opgegeven zoektocht in een relaxte toko waar we ons vochtverlies bijvullen met coca-cola. Deborah en Max gaan doen whatever zij het beste vinden voor hun vrijdagmiddag en ik roep een taxi-moto om me naar de dure, saaie, (maar wel ge-airconditioneerde) Europese supermarkt te brengen. Zonder verdere complicaties koop ik de ingredienten voor pannenkoeken met ham en kaas.
Thuis heb ik - je kent me - alle verpakkingen opengetrokken en alles ongedoseert over de hele keuken uitgesteld als halverwege de eerste pannenkoek het gaspitje ermee ophoudt. Ik vraag de Mama om bevestiging en even later kunnen Boris en ik de straat (lees: zandpad) op om gas te gaan zoeken. 

Met de brommer en met een lege gastank crossen we weer door de fata-morgana-bij-nacht [lees verslag 1&2]. Na een klein uurtje kan ik mijn gedroogde kalebasschil, ter vervanging van een bakspatel, weer oppakken en begin ik aan het publiektrekkende pannenkoekenbakken. Vooral het flippen van de pannenkoeken in de lucht is een geliefd spectakel.  De pannenkoeken zijn echt best wel heel erg gredelijk gelukt maar vallen niet in de smaak bij de barbaren. Mijn 'broertje' ontheiligt de zijne met twee eetlepels mayonaise en Jaures liegt dat 'ie ze wel lekker vindt. Zo lekker dat nu nog steeds de helft van de ingredienten onaangetast in de koelkast staat. Mij hoor je zeker niet klagen: raad eens wie er zondag pannenkoeken heeft als ontbijt, in plaats van die megasmerige bouille-drab?

Ok, tot zover week 3. Max gaat nu een schaap slachten en Deborah en ik gaan naar het strand.
Later! En rustig aan hè!

Inburgeren voor gevorderden.

Het grootste stuk van deze blogpost schrijf ik op het toilet, waar ik de laatste dagen veel tijd doorbreng nu dat na de cultuurshock ook de diarree genadeloos heeft toegeslagen. Buiten deze bezoekjes-van-hoge-nood probeer ik zoveel mogelijk buitenshuis te blijven. Dat heeft een reden: ik voel me de laatste tijd een beetje ongemakkelijk in mijn gastfamilie. Ook dat heeft een reden: mijn gastvader is letterlijk op sterven na dood. Het begon allemaal maandag... 

Ik lag 's avonds laat in bed nederlandse liedjes te luisteren toen mijn gastmama me de gang op riep. Omdat het laat was en ze me eigenlijk nooit stoort als ik op mijn kamer ben veronderstelde dat ik in mijn onhandigheid de badkamer blank gezet had of iets van die aard. Ik rolde in mijn onderbroek de gang op waar mijn gastmamma mij iets heel anders mededeelde: het huis kon elk moment vollopen met mensen en de priester want 'de ouwe' ging bediend worden.
Ik realiseerde me dat ik eigenlijk helemaal niet gekleed was voor deze aangelegenheid en besloot me stilletjes terug te trekken naar mijn kamer.
De ouwe leeft inmiddels nog steeds. Of ja.. Leven.. De hele week heeft de man naakt over de grond gekronkeld als een beest en sinds gisteren beweegt 'ie uberhaupt niet meer. Maar aan de aanhoudende stank van ontlasting op zijn kamer te oordelen is hij er nog niet mee opgehouden. Een weinig menswaardig bestaan en ik hoop dat er maar gauw een eind aan komt. Ik gun hem zijn rust, ik gun de familie een einde aan deze pijnlijke ellende en ik gun mezelf de schijnbaar erg bijzondere ervaring van een Afrikaanse uitvaart.
Tot zover 'de ouwe'.

Op dinsdagochtend werd ik voor de derde keer die week teleurgesteld door een schaaltje 'bouille' aan het ontbijt. bouille; maispap, lauwe, slijmerige, troebele, witte derrie.
Al etende kon ik het idee niet onderdrukken dat ik een heel ander soort pap (té vulgair om te nuanceren) naar binnen aan het werken was. Ik probeerde tevergeefs met gesloten ogen mijn ontbijt af te maken maar het kwaad was al geschied. Toen mamma Odette even niet keek spoelde ik het, ook voor de derde keer deze week, door de gootsteen en ging de straat op, op zoek naar een beter alternatief.

Eten op straat is overal te vinden en goed eten op straat is ook overal te vinden als je weet hoe je er aan moet komen. Het zijn niet de restaurants noch de maquisjes waar je het beste eten haalt. Nee, het beste eten van Cotonou wordt gemaakt door de kookmamma's; vrouwen die hun keuken (vuurtje, 3 koelboxen en een kruk) voor de deur hebben gesteld en waar je aan huis een hapje kunt mee-eten voor een paar dubbeltjes. Bouwvakkrs en Djahn-chquffeurs weten dat en ik weet het nu ook. Normaliter betaal ik ze 40ct voor een bord bonen met pittige pindasaus en een ei. Vrijdag had ik echter niet kleiner dan het astronomische bedrag van €1.25 - de VIP-treatment als gevolg.

Op zich kom ik er dus wel uit hier, met het Beninese leventje. Ter verheldering volgt hier nog een aantal reeds door mij behaalde intergratie-achievements:

- Het uit de wachtrij stappen, een 20-minuten durende maaltijd nuttigen, en vervolgens weer ergens vooraan op de oude blek aansluiten zonder rare gezichten.

-Het benutten van de leraar's telefoongesprek tijdens de les om even op straat een ananas te kopen.

- (op deze ben ik héél trots) Het slapen op de stoep, samen met een schoonmaakster en de concierge.

Helaas werd ik bij deze laatste gewekt door een lokal die vroeg of ik het goed vond dat hij  3 landgenoten van een bankje stuurde zodat ik daar mijn siesta kon voortzetten. Ik weigerde. 

Inmiddels beheers ik ook de kunst van het vrienden-zijn-met-iedereen. Als ik een beetje toegankelijk over straat loop kan ik elke 10 meter even stoppen voor een praatje met iemand die mij ergens van kent. 'Hey Yovo!' - zo komen ze dan glimlachend op me af.  Ik reageer eigenlijk nooit met 'Hey Neger!'.
De mensen zijn bijzonder vergevingsgezind over het feit dat ik ze totaal niet herken en vertellen dan altijd maar wat graag wat ze vandaag gedaan hebben of gaan doen.  
Aardige lui... en ook altijd leuke variaties op 'een handje geven'.

Heel anders ook dan op de Nederlandse borrel waarvoor ik afgelopen week trouwens was uitgenodigd.
Aanleiding was dat ik bij mijn ambassadebezoek echt geen behoefte had aan de waardeloze hulp van een lokale medewerker voor dit toch wel belangrijk stuk administratie en net zo lang wachtte totdat deze een Nederlandse naar beneden riep, die me hartelijk verwelkomde en me rondleidde door de ambassade - waarna de uitnodiging volgde zoals dat voor alle Nederlanders geldt.
In een westers restaurantje verzamelden zich het ambassadepersoneel, Nederlandse expats, de bezoekende directie van de Helmondse katoengigant Vlisco en ik voor een biertje en het gezelschap van landgenoten. Erg vruchtbaar ook, voor mij; ik had een indrukwekkend aantal telefoonnummers, namen en adresjes verzameld (érg waardevol in een land als deze). 

Wegens vanzelfsprekendheid onnodig om te noemen,  maar ik doe het toch, is dat het kunnen spreken van Nederlands (of Engels, of Duits) net zo voelde als het plassen na een hele lange autorit.   

Een van de BuZa-mensen van de ambassade deed ook wat hoop in me opleven toen hij vertelde dat zijn man er altijd in slaagde om hier op de lokale markten een degelijk stuk vlees of vis te vinden. Het was daardoor dat ik, heel moedig, mijn gastgezin beloofde dit weekend voor ze te koken.
Helaas voor jullie is dat verhaal te lang voor deze post en heb ik op het moment geen zin meer om verder te schrijven.

De volgende post volgt snel! Groetjes!   

Safari!

De safari-trip :

Een vierdaagse ontsnapping aan de vervuiling en hectiek van Cotonou. Niet alleen geweldig vanwege de natuur en de activiteiten, maar ook een erg welkom samenzijn in een groepje Europeanen! 

 

 

Op woensdagochtend 7 uur, 4 dagen nadat ik te horen kreeg dat er misschien wel een safari georganiseerd zou gaan worden, word ik door een man in een hesje een tourbus ingesleurd. Blij dat alles geregeld lijkt te zijn wacht ik op vertrek als begeleidster Prisca uit het donker (lastig te zien) opduikt en me uit deze blijkbaar verkeerde bus trekt. Ze geeft me een kaartje, dat had ik nog geen, en vertelt me wat er de komende dagen ongeveer gaat gebeuren. Samen wachten we op een andere vrijwilliger: de óók in Cotonou geplaatste Duitse Lena. Ze komt aan op een zemi-djahn en samen stappen we 25 minuten later de goede bus in.  

De busreis is een verhaal op zichzelf waard. Het vertrek doet eigenlijk een beetje aan als het rijden op een olifant, zij die er bekend mee zijn weten hoe het voelt; Rustig wiebelen we, torenend boven de immense massa van vroege straatverkopers, geleidelijk het hobbelige zandpad over. Even buiten de stad evolueert deze zich tot een deels-geasfalteerde, maar toch nog steeds best wel waardeloze, provinciale weg die als één (de oostelijke) van de twee slagaders door Benin gaat. De helft van het hele Beninese bestaan wordt gevoed vanuit dit veredeld landweggetje.

De bus brengt ons met elke kilometer een jaar terug en we zien de golfplaten en betonblokken die we passeren overgaan in riet en klei.  (en de mobiele telefoons.. nee wacht, iedereen heeft hier mobiele telefoons).  Het is een uitdrukking om te zeggen dat je ergens 100 jaar terug de tijd in gaat, maar bij vlagen heb ik het gevoel dat onze geairconditioneerde bus de enige uitzondering is op een primitieve wereld die evenwel 2000 jaar lang onveranderd gebleven kan zijn. Ons gezelschap is in de tussentijd bij enkele tussenstops uitgebreid met de Franse Christelle en de Belgische Audrey en Tiziana, waarvan de laatste al meteen indruk maakte toen ze moeiteloos de volle bus stil liet zetten voor een pipi-pause in de begroeide berm.

Een paar uur later stoppen we weer in een nog relatief modern dorpje (kleihut van de telefoonprovider). Ik vraag de chauffeur naar een toilet maar mijn onwetendheid wordt beantwoord door een collectief Beninees gelach. Ik stap de bus uit, gooi mijn afval in de berm – prullenbakken zijn er niet – en zoek een boom uit om maar niet midden op de straat te hoeven plassen met de rest van de bus. We kopen een drietal ananassen bij een vrouwtje met een getatoeëerd gezicht langs de weg en stappen weer in. Eenmaal onderweg stemt de chauffeur de radio weer af op tamtam-FM en een aantal inzittenden zingt luid mee. Inmiddels is er ook een christelijke goeddoener uit ons midden opgestaan om het woord van Jezus te verspreiden. “Gebeurt elke keer” zegt mijn blonde buurvrouw, die vandaag alleen al trouwens 2 huwelijksaanzoeken heeft moeten afwijzen.
Ons groepje westerlingen klikt en al gauw worden er gesprekken opgezet (waarin het Frans gemengd wordt met Duits, Spaans, Italiaans, Engels en zelfs een beetje Nederlands) om onze ervaringen uit te wisselen. Het zijn er veel, maar de rit is lang.

Laat in de middag eindigen we onze transfer op een parkeerplaats in een stoffig gehucht in het geïsoleerde noorden van het land. Na wat rondgegapen te hebben en de djahn-chauffeurs te hebben afgeweerd spreekt een local ons (5 ongenschijnlijk verdwaalde yovo’s op een plek waar we inderdaad vrij weinig te zoeken hebben) aan. Hij moet een groep vervoeren die gaat onder de naam ‘King’. We voldoen aan de beschrijving maar de naam doet geen belletje rinkelen. Even later herkennen we begeleidster Prisca’s stem in de man zijn telefoongesprek met zijn ‘contactpersoon’ en we voegen ons toe aan de andere 4 passagiers in de sedan die, aan de op het dak gebonden bagage te zien, zojuist naar dit afgelegen onoord verhuisd zijn.  Deze laatste anchovis-ervaring duurde gelukkig maar een paar honderd meter. “Voilà”, zegt de chauffeur, “l’hôtel”.

Het hotel staat praktisch in de middle-of-nowhere en valt nog net niet van ellende uit elkaar, maar ze serveren er een aardige maaltijd en coca-cola. We zijn de enige gasten.
Ik word aangesproken als “le prince” – ‘vanwege mijn blonde haar en ‘mijn’ 4 vrouwen’ grapt onze privégids. De amusementswaarde van de grap druipt er echter een beetje vanaf op het moment dat het personeel slechts mij (met mijn nog gebrekkige Frans) adresseert, mij als eerste een hand geeft, mij om de bestellingen vraagt en mij alle uitleg, sleutels en timings geeft in plaats van de 4 Franstalig-opgevoede dames.  
De hoteleigenaar legt mij ook uit dat de organisatie slechts 2 kamers gehuurd heeft, maar dat er – naar totaal geaccepteerd Beninees gebruik – een extra 2-persoons matras op een van de kamers geplaatst zal worden. Het lijkt er op dat het de bedoeling is dat ik een kamer voor mezelf heb, maar deze Europese dames laten zich niet wegstoppen in een hokje en uiteindelijk ben ik degene die op het matras op de grond ligt.  Ach… de nacht is kort en om 5:30 zitten we in de jeep gepropt richting het Pendjari nationaal park.   

Een rit die tweeënhalf uur duurt, zo blijkt, en in het donker zien we weinig van het landschap. Het maakt niet uit, het is een uistekende gelegenheid om aan mijn Frans te werken. Best wel nodig, want ik voel me nog vaak als een kind aan een tafel met volwassenen; ik zit erbij en volg wat ik kan, maar ik kom er moeilijk tussen, vlieg de bocht uit als het te snel gaat en heb mijn eigen Jip-en-Janneke-uitleg nodig als het te moeilijk wordt. Het is vermoeiend, maar het loont. Steeds vaker krijg ik alles mee en hier en daar lukt het me zelfs om een gewaagd grapje te maken.  

Om 9 uur stopt de jeep. We kunnen uitstappen. Onze enthousiaste gids, Marcel met de pretkop, gebaart naar verstevigd bagagerek op het dak: “Montez!” (“bestijg!”)  – gaaaaaaaaaaaaaaaf!
Een beetje nerveus, vanwege de dieren die we gaan zien of de manier waarop, crossen we door het rode stof van de nog ongerepte Pendjari.

Safari in West-Afrika is lang niet zo toeristisch als in het oosten van het continent, omdat het aantal dieren per vierkante kilometer hier een stuk kleiner is. De dieren zijn er, logischerwijs, ook een stuk wilder en schuwer.  We moeten maar wat beter opletten, instrueert Marcel. Met als enig referentiekader de Beekse Bergen kan ik niet zeggen dat het tegenvalt. Afwezigheid van 5-sterrenresorts, gemaakte panorama’s of tegenliggers is geen gemis en de schuwheid van de dieren maakt het fotograferen ervan een echte sport. Vanaf het dak van de jeep doorkruisen we het hoge gras, komen bij bebossing en riviertjes, drinkplaatsen en als de zon zijn hoogste punt bereikt rijden we het kamp in het midden van het park binnen. De score van de ochtend valt helemaal niet tegen: honderden antilopes, wrattenzwijnen, apen, vogels en krokodillen maar nog geen spoor van de big-5. Gids Marcel brengt ons naar onze lodge. Later, in de bar, is er brood en trekt hij een blik halflauw slachtafval open – ik stelde voor het achter de auto te binden voor de leeuwen maar Christelle vond het een prima lunch. Ik deel een blikje tonijn op olie met de anderen. Siësta volgt. Geen ontkomen aan, ook de dieren trekken zich terug in deze hitte.
Het kleine zwembad is een goed alternatief voor de zweterige lodge en op zo’n 30 meter afstand aanschouwt een grote mannetjesbaviaan jaloers hoe ik het zwembad deel met louter meisjes in bikini. De behaarde viezerik had graag mijn plek ingenomen en mij in zijn plaats opgezadeld met zijn scharrige bende vrouwtjesapen in de boom, maar hij weet net zo goed als ik dat dát niet gaat gebeuren.

Het is 16:00 ’s middags en we vervolgen onze tour. Al gauw staan we stil voor één van de zeldzame olifanten (wisten wij veel dat diezelfde middag ons pad gekruist zou worden met dat van een hele kudde!).  We rijden uren door, tot ons lijstje bijna compleet is, de felrode zonsondergang tegemoet met de haren in de wind en stof in de haren. Als je bezig bent met je Bucket-list, geachte lezer, ècht… dit is er eentje hoor!  
Als we terugkomen in het kamp is het donker. Slechts twee dieren ongezien: het jachtluipaard en de leeuw. Die zijn voor de volgende ochtend. Mijn drang om die avond in het kamp iets Westers te eten is groot, maar het kan helaas niet op tegen de verleiding van de couscous met eend en ook de flesjes Heineken leggen het af van het prima(!) locale bier: la Beninoise. 

Om 06:30 zitten we weer in de jeep; nog niet er óp want het is nog fris. Het zou hypocriet zijn om te klagen over hoe vroeg het is, dus ik doe het niet. We hebben immers een missie: de leeuw en de cheeta spotten. Een karakteristieke brul klinkt in de verte en we zetten opgewonden een achtervolging in die zijn hoogtepunt bereikt als we verse sporten tegenkomen in het zand (knap gezien Marcel!). Helaas, de spanning ebt weg als de sporen verdwijnen in het hoge gras zonder enig verder teken van de verlegen monarch.
Iets later doen drie eigenwijze jachtluipaardwelpjes een succesvolle poging onze teleurstelling te doen vergeten door ons de doorgang op het pad te versperren. De fotogenieke kleine katjes met de karakteristieke witte streep op de rug (een imitatie van de vicieuze honingdas) gaan helemaal nergens heen en al snel komt ook de moeder in beeld. Deze (hier) erg zeldzame, elegante verschijning heeft, net als haar kinderen, geen problemen met een uitgebreide fotoshoot en het is vanwege tijdsgebrek dat we de cheeta’s moeten verlaten.

We beklimmen de auto en rijden de rest van de ochtend het geweldige park door. Tegen de middag zien we aan de eerste bebouwing dat we het park uitgereden zijn. Bebouwing is een groot woord voor wat we zien. Het is net alsof we een filmset opgereden zijn. Hier en daar zien we kleine lemen hutjes, af en toe een waterpomp. De mannen plukken katoen, vrouwen met ceremoniële littekens die hun kleren in de rivier wassen zwaaien naar ons en groepjes naakte, magere kinderen komen rennend achter de jeep aan. Ik waan me weer even ‘le prince’ als we wuivend vanaf het dak van onze bordeauxrode koets de armzalige nederzettinkjes passeren.

We wijken van de route af voor een bezoek aan een partij watervallen. Niet bepaald de Victoria falls maar charmant nontheless en een aangename badgelegenheid waar we het rode zand van ons af kunnen wassen. Voordat we teruggaan naar het hotel van de eerste avond stappen we uit bij een dorpje waar nog een traditioneel ‘kasteel’ staat. Een gefortificeerde, roofdiervrije veestal met een ‘torenkamer’ om in te wonen. Ik moet zeggen dat ik best onder de indruk ben van dit bouwwerk .

’s Avonds in het hotel wachten we op een privé-dansvoorstelling. Een grote groep dansers stapt uit één auto (een hele show an sich) en treedt voor ons op. Wederom wordt alles aan mij geadresseerd; wat moet ik daar nou in vredesnaam mee..  Spectaculair is het in ieder geval wel. De vertoning komt tot een climax als een dansertje mij zijn ossenstaarten kwast geeft en iets onverstaanbaars mompelt. Het maakt niet uit, het is duidelijk: ik moet van mijn stoel af.
Wederom wordt er door de bewoners van dit bijzondere land een beroep gedaan op de bluf- en improvisatiekunsten. De drums worden opgevoerd en inmiddels staan er benauwd veel mensen in een kring te kijken terwijl ik nog altijd een beetje onbeholpen klunzig sta te zwaaien met het kwastje totdat ik iets beters weet. En dan begint het… het kleine dansertje wiens kwast ik vastheb komt tegenover me staan en begint te dansen op het wilde getrommel. “hey!” denk ik, “dit ken ik!”, het heeft wel iets weg van het gabberhakken op happy-hardcore zoals we dat wel eens deden op grote tentfeesten in het buitengebied.  Ik zwaai wild met mijn ossenstaart terwijl ik me probeer te herinneren hoe mensen hakken die het wél kunnen. Ikzelf ben eigenlijk helemaal niet ontevreden over mijn inspannende improvisatie en tot mijn grote verbazing: een enthousiast gejuich komt op vanuit de toekijkende cirkel! Meer dansers komen meedoen; nu moeten ook de 4 dames er aan geloven. Hahaha, we kunnen niets dan lachen, de euforie van het moment sleept ons mee in deze filmachtige scène. Supergaaf.
 Moe, overweldigd maar vrolijk trekken we ons na afloop terug naar de slaapkamers terwijl de meisjes nog de nodige huwelijksaanzoeken afwijzen.

De volgende ochtend reizen we vroeg af naar de chaotische grote stad in het zuiden, die in schril contrast staat met het authentieke noorden. De komende week weer verder ga ik met mijn lessen Frans, ga ik Lena opzoeken in haar weeshuis om daar alvast het een en ander te leren over de Beninese kleuters en zal er vast nog wel weer het een en ander gebeuren in dit gekke land! Keep in touch!

 

        

               

 

 

 

Cultuurshock!

UPDATE:  na een goede nachtrust is de meeste irritatie alweer weggezakt.

Uit de categorie jetlag, diarree, zonnesteek en andere reisongemakken is de cultuurshock de ábsolute nummer 1 wat betreft impact. Eerlijk gezegd dacht ik heel naïef dat zoiets alleen voorkwam bij mensen die hun geboortedorp nooit verlaten hadden en hoogbejaarden, maar niets blijkt minder waar; ik heb het goed te pakken. Op het moment zie ik alles wat ik niet begrijp in negatief daglicht en heb ik het voor nu wel een beetje gehad met nieuwe indrukken. Desalniettemin, negatieve ervaringen zijn zeker niet per definitie waardeloze ervaringen en die ga ik dus ook met je delen:

Er is hier zoveel heel waar ik met mijn verstand niet bij kan. Niet eens zozeer de kleinigheidjes zoals het offeren van een kip of het dragen van een wollen muts bij deze temperaturen, maar de algehele attitude die hier heerst. De laksheid van de mensen, het feit dat ze helemaal nergens iets om geven. Althans, zo lijkt het.  Het ergste is nog wel dat het hier zo’n ongelofelijke puinhoop is. Afval stapelt zich hier bergenhoog op zonder dat iemand er naar omkijkt en de mensen, mannen en vrouwen, pissen maar gewoon overal op straat, stoep of in de tuin. Gepast bij de puinhoop heerst er ook overal een enorme herrie; de mensen hier hebben een onhoudbare drang om een zo hard en lang mogelijk kabaal te maken, waar en wanneer het maar mogelijk is. Zelfs om 4 uur ’s nachts hoor je de mensen nog toeteren, schreeuwen, telefoneren op standje-straaljager… het is hier net één grote staalfabriek.  De dag dat de rust hiernaartoe komt is de dag dat alle mensen die overal op straat zomaar wat liggen te slapen zichzelf bij elkaar rapen en voor de verandering eens een keer iets nuttigs gaan doen - dat ga ik in de komende 5 maanden zeker niet meemaken. Er is hier gewoon zóveel werk te verrichten terwijl er ook zóveel mensen geen poot uitsteken, maar het zullen de Beninezen niet zijn die zich er druk over maken en dus kan het me ook niet zo veel verrekken zolang mijn terugvlucht naar Europa maar een zekerheid is. 

Behalve onverschillig jegens hun eigen land en leven, sta ik ook erg versteld van bepaalde asociale gevallen die zich hier voordoen. Allereerst het laatkomen, dat haalt inmiddels het bloed onder mijn nagels vandaan. Vanochtend zat ik in de bus van 6:30 (dat dacht ik in ieder geval) toen om 7:15 de chauffeur drie keer toeterde om iedereen die buiten zat te buurten erop te attenderen dat de bus zo ging vertrekken en dat ze dus (weer terug) naar hun plaatsen moesten.  Ander voorbeeld: maandagochtend, vóór de deur van mijn klaslokaal, krijg ik een sms’je: “les van vandaag gaat niet door, morgenmiddag om 16:00 is er weer les”.  Afspraken maken met deze mensen kan ook gewoon niet! De manier waarop families hier met hun, onbetaalde, meid omgaan (meestal een analfabetische, ongeschoolde kind/vrouw uit de dorpen in het noorden) overschrijdt ruimschoots de grens van slavernij en daar wil ik het verder niet eens over hebben.  En dan is er ook nog ‘de ouwe’ in onze eigen gastfamilie. De arme ziel heeft soms zijn goede dag, waarop hij gepraat of gebaren beantwoordt met een kreun of een glimlach. Het zijn deze dagen waarop hij de trap afloopt en vaak urenlang tegen de gesloten ijzeren poort zit te rammen; hij mag niet naar buiten omdat ‘hij verdwaalt’, maar de vragen van de buren naar het eeuwige gebonk op de poort verraden dat hij boven alle andere redenen niet aan de rest van de wereld vertoond mag worden. Stel je voor wat voor een schande dat zou zijn voor de familie! Ik vraag me af hoeveel van deze gevallen dit land rijk is.  

Er legio voorbeelden, véél te veel. Op de onderwaardering die gezondheid en voeding hier krijgt kom ik nog wel een keer terug; ik ben al lang blij dat ik mijn (tijdelijke) onvrede even van me af heb kunnen schrijven.  De frustratie zit hem vooral in het feit dat de lui hier er hun schouders niet over ophalen. Ik zal mezelf moeten aanpassen, een stukje asocialer worden, om zo mijn eigen verblijf wat comfortabeler te maken. Gelukkig kwam er een meer dan welkome break in de vorm van een safari-trip. Het verhaal volgt natuurlijk. Tot snel!

 

 

 

 

De Eerste Week

[MEMO: lees eerst de voorgaande twee posts voordat je aan deze begint]  

Dag iedereen, Het is nu dag 6 van mijn verblijf in Cotonou en inmiddels ben ik al wel wat gewend aan de Beninese gang van zaken (m.u.v. het vreselijke evangelische fon-gezever dat hier al de hele ochtend door de speakers blèèrt, daar ga ik nooit aan wennen). Het opgewaaide stof van de eerste dagen bezinkt een beetje en ik begin door de bomen het bos te zien. Het lijkt er op dat het leven hier, ondanks de enorme bende, helemaal niet onaangenaam is. De mensen hebben genoeg om hun voldoening uit te putten en ik begin deze plekjes en dingetjes ook langzamerhand te ontdekken.

Dinsdag ben ik bijvoorbeeld met Boris gaan basketballen op een aantal sportveldjes in de buurt. Het loopt daar elke middag helemaal vol met jongeren die daar graag basketballen, voetballen, hardlopen, touwtje springen en andere vormen van sport en spel. Even wennen, voor mij als yovo, maar de Beninesen zien geen enkele reden om mij niet in hun spel te betrekken. In tegendeel, ik ontkom er niet aan om mijn niet-zo-bijzondere basketbalkunsten te vertonen aan deze mannen in een aantal bloedfanatieke matches. Ik was vanzelfsprekend kei-kapot en had zo’n 3 liter zweet verloren, maar ik hoorde erbij! Veel leuker nog werd het toen ik, Boris en Coffee-Jan op een aantal dansende ‘oude vienden’ en een tweetal andere yovo’s (de Australische Kelly en de Braziliaanse Marianne) afliepen. Het bleek dat er een promotiefilmpje werd opgenomen en Boris had zojuist geregeld dat we mee gingen dansen en zingen. Gêne heeft in dit land een heel andere betekenis en is zéker geen excuus om niet mee te doen, dus zo geschiedde het.

De volgende ochtend, na wat gebruikelijke sport op het dak en een alledaags ontbijt bestaande uit een brood dat je dipt in een soort thee gemengd met gecarameliseerde melk, werd ik zoals elke dag (natuurlijk veel te laat) opgehaald door mijn begleidster Prisca, een vrolijk klein mollig poppetje in een hip westers zomerjurkje, die mij rondleidt door de stad. Na wat bezoekjes hier en daar, bezoeken we meestal een maquis. Dat is het Afrikaanse equivalent van een frietkot, waarbij je op een set tuinmeubels midden op straat kunt kiezen uit 2 of 3 verschillende maaltijden die ze serveren. Het beste wat ik tot nu toe heb gehad is de Igname Pilée, een bal van een soort ongebakken pizzadeeg in een bak met saus met stukjes vlees, kaas of whatever er beschikbaar is. Je eet het met je handen en dat bevalt goed; het geeft je de kans om ongegeneerd te bestuderen wat je in je mond gaat stoppen. Geen overbodige luxe want donderdagavond werd ik voor de tweede keer onaangenaam verrast met een portie schapendarm door mijn rijst (ik wist dat ik het niet had moeten vragen, maar het verstand verloor het van de nieuwsgierigheid). Na het eten val ik meestal, net zoals de anderen, ergens op de vloer in slaap onder de audiovisuele begeleiding van een nagesynchroniseerde Spaanse B-soap of een verdwaalde Bollywoodserie.

Ook ben ik 2 dagen geleden begonnen aan mijn lessen Frans. Dat is echt een opluchting want het blijkt moeilijker dan verwacht. Niet alleen spreekt men hier nóg sneller en onduidelijker dan de Fransen zelf, het wordt ook half gemixt met Fon waardoor ik er dus vaak helemaal geen snars van begrijp. Sinds de lessen begonnen zijn, of misschien was het gewoon een kwestie van tijd, gaat het al een stuk beter maar nog steeds kan ik mezelf maar beperkt uitdrukken. Een enorme last viel van mijn schouders toen bleek dat ik mijn lessen deelde met de 20-jarige Zwitserse Deborah. Nooit eerder sprak ik zo vloeiend en veel Duits, het is echt een uitlaatklep nu voor alles wat ik in het Frans niet kan uiten. Hoe dan ook, ik ben serieuzer dan ooit tevoren in deze lessen, maak stipt mijn huiswerk en ga nota bene uit eigen initiatief blokken.. dat moet ook wel en het werpt zijn vruchten af: ik durf het, nu ik de taal wat beter begrijp, ook aan om in mijn eentje over straat door de ‘golfplaten jungle’ te lopen. Dit vind ik nog steeds topamusement, hoewel ik me nog steeds ongemakkelijk voel als ik mijn fototoestel te voorschijn haal. Ondanks dat de mensen het erg leuk vinden om op de foto te gaan voelt het niet lekker, alsof je lacht om de streken van een mongooltje – dat doe je ook niet, ook al zijn ze soms leuk. Toch heb ik er wel een aantal gemaakt en als de technologie het toelaat post ik deze op de blog.

De komende paar dagen ga ik meemaken wat het weekend hier betekent. Er wordt verwacht dat ik mee op stap ga (écht, deze lui kunnen geen prio’s stellen) en waarschijnlijk zal er ook nog wel een kerkmis op de planning staan. Oh en even tussen jullie en mij: Prisca heeft tussen neus en lippen genoemd dat ik misschien volgende week mee op safari kan in het noorden van het land! Dus ik ben heel erg benieuwd wat ze geregeld heeft!

Ok dat was ‘ie, de groeten aan iedereen en tot de volgende keer!

Deze reis is mede mogelijk gemaakt door:

Travel Active